
Laatste preek
Zondag: 13 mei 2012
Zesde zondag van Pasen
Rehobothkerk Vlaardingen
Ds. Henk ten Napel
Lezingen:
Jesaja 45:15-19
1 Johannes 4:7-21
Johannes 15:9-17
Lieve vrienden, broeders en zusters, gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Vandaag gaat het over vriendschap. Op de zondagen na Pasen hebben we op verschillende manieren gekeken naar de relatie tussen Jezus en zijn de volgelingen, en de relatie van zijn volgelingen tot elkaar. Het evangelie van Johannes geeft daar verschillende beelden bij. We hebben gehoord over de goede herder, die zijn leven inzet voor zijn schapen. We hebben gehoord over de wijnstok en de ranken. En vandaag gaat het over vriendschap.
Een vriendschap die de grens van leven en dood overschrijdt. Natuurlijk gaat dat ook over Jezus. Natuurlijk weerspiegelt dat ook de glans en de gloed van het Paasmysterie, de dood die het leven tevoorschijn roept.
Maar de vriendschap op leven en dood brengt op het eerste gehoor ook andere associaties en gedachten naar boven. Je leven over hebben voor een ander, dat is een gedachte die heel erg pijn kan doen. Wat zouden sommige mensen er niet voor over hebben als zij hun leven hadden kunnen geven voor een ander. Ik denk aan die oude vader, die graag zijn leven had willen geven als zijn dochter had kunnen blijven leven. Of aan de bejaarde moeder die haar leven had willen geven, als ze daarmee haar zoon had kunnen redden. Of de overlevende van een verkeersongeluk die zich altijd schuldig voelt om die ander die het niet haalde. Of het familielid van de nierpatiënt dat zich afvraagt of donatie bij leven een optie is.
En aan de andere kant hebben we waarschijnlijk ook allemaal onze twijfels of het altijd wel zo goed is om je leven op te offeren voor je vrienden. Wat moeten we denken van verzetsstrijders die door een heldhaftige daad hun leven opofferen en zo hun makkers redden van de dood?
En wat moeten we denken van mensen die zich als levende bom opofferen om een Heilige Zaak verder te helpen?
En dan de vraag: Je leven geven voor je vrienden, maar willen je vrienden dat eigenlijk wel? In het boek De boekendief van Markus Zusak overleefde één van de hoofdpersonen de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Dat had hij te danken aan een vriend, die hem op de beslissende dag er in luisde. Daardoor kreeg hij voor die dag de taak toebedeeld die iedereen van zich af probeerde te schuiven: de dood van soldaten aan de familie bekend te maken. Hij moest de brieven schrijven aan de familie van de makkers die waren gesneuveld. Terwijl hij de hele dag op een veilige plaats brieven zat te schrijven, begaven alle leden van het peloton zich in het strijdgewoel. Allemaal, inclusief zijn joodse vriend, kwamen ze die dag door granaatinslagen om het leven. Hij was de enige die in leven was gebleven.
Een paar decennia later, in de Tweede Wereldoorlog, klopte een zoon van zijn vriend bij hem aan. Het was een joodse man die wilde onderduiken in München. De hoofdpersoon hoefde geen moment na te denken, hij zei meteen ‘ja’. Met alle risico’s die dat met zich meebracht.
Je leven inzetten voor een ander, dat is niet iets waar je over gaat zitten nadenken. Dat bedenk je niet uit jezelf. Dat doe je, op het moment dat je er voor staat. Uit vriendschap, uit liefde. Het lijkt dan wel of de angst is uitgedreven door iets dat veel meer is, veel groter is, veel sterker is, veel overweldigender is. Want er is geen groter liefde dan je leven te geven voor je vrienden.
Het wordt niet van iedereen gevraagd om zijn leven te geven. Niet iedereen die zijn of haar leven had willen geven, krijgt daartoe de mogelijkheid. Maar ieder krijgt wel dit te horen: heb elkaar lief.
De eerste brief van Johannes heeft hetzelfde thema. De liefde laat geen ruimte voor angst. Volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. Voor straf is geen ruimte want het gaat hier om vrienden onder elkaar. De leerlingen worden door Jezus vrienden genoemd. Ze zijn niet te vergelijken met slaven. Slaven moeten blindelings opdrachten uitvoeren. Ze hoeven ook niet te weten waar ze mee bezig zijn. Ze hoeven de beweegredenen van hun heer niet te kennen. Ze hoeven zich niet innerlijk verbonden te hebben aan hun bezigheden of aan hun heer. Ze doen wat ze moeten doen omdat het ze opgedragen is. Als ze hun taak niet uitvoeren krijgen ze straf.
Maar de band tussen de Vader, Jezus en de leerlingen is van een totaal andere orde. Hier gaat het om een nieuwe, meer gelijkwaardige en zeer diepe verbondenheid. Hier gaat het om vriendschap. Vrienden zetten zich voor elkaar in uit vrije keuze, niet omdat ze bang zijn voor straf.
In de brief van Johannes wordt nog een extra verdieping aangebracht. Daar wordt de liefde voor je vrienden en je broeders en zusters verbonden met de liefde van God. En dat klinkt vrij ernstig: Wie zijn broeder of zuster niet liefheeft, kan ook God niet liefhebben. Ga er maar aanstaan. De Johannesbrief maakt dus geen onderscheid tussen de liefde van God, de liefde die Jezus heeft laten zien en de liefde tussen broers en zussen. De liefde van God wordt hier op aarde gerealiseerd tussen broeders en zusters. Dat staat op het spel.
God liefhebben is misschien nog wel gemakkelijker dan je medemens liefhebben. Niet alleen in onze tijd, waar fanatieke gelovigen er niet voor terugschrikken om voor de zaak van God hun medemensen te vermoorden. Of dat nu protestanten, of katholieken, joden of moslims betreft. De hoogleraar Paul Cliteur geeft daar in zijn boek Het monotheïstische dilemma enkele voorbeelden van. De Joodse Jigal Amir, die Jitzak Rabin vermoordde. De christelijk Scott Roeder, die de abortusarts George Tiller vermoordde. De moslim Abdulmutallab die met een bom in zijn onderbroek een vliegtuig dat van Amsterdam naar Detroit vloog wilde laten ontploffen. Alle drie werden ze gedreven door hun liefde voor God. Zij wilden de ongelovigen straffen en waren bereid daarvoor hun leven te geven. Andersdenkenden mochten volgens hen worden gedood.
In de tijd dat de Eerste Johannesbrief geschreven werd, was onenigheid tussen godsdienstige stromingen aan de orde van de dag. Niet alleen tussen verschillende godsdiensten, maar ook binnen het nog jonge christendom. Er was een ongelooflijke veelkeurigheid aan religieuze stromingen binnen het christendom dat nog volop in ontwikkeling was. Er was ruimte voor alle mogelijke gespeculeer. En er was vooral sprake van een enorme zelfgenoegzaamheid. Er waren stromingen waarvan de leden zichzelf op de borst sloegen: ‘wij deugen, want wij hebben de goede leer’. Of: wij hebben het bij het rechte eind, want wij zijn tot hoger inzicht gekomen. Wij zijn de echte christenen, want wij hebben de echte kennis van God.
Tegenover hen stelt Johannes: Alleen als je liefhebt, kun je God kennen. Dat was een enorme klap voor al die betweters. God kennen is allereerst een praktisch kennen. Niet kennen met je verstand, maar kennen met je daden. Je laten opnemen in de stroom van liefde van God, die uitgaat naar alle mensen. Als je die praktische liefde voor je broeder en zuster niet kent, dan ken je God niet.
God kennen is liefde doen, want God is liefde. Het typisch bijbels woord voor liefde dat hier gebruikt wordt is agape. In dit hoofdstuk 4 wordt het woord in verschillende vormen maar liefst 29 keer gebruikt. Het gaat dus niet over eros of hartstocht, maar over agape. Dat is de liefde die gericht is op de ander, die het welzijn van de ander beoogt. Deze liefde komt voort uit God en is een gave van de Geest. God is de oorsprong van deze liefde. Als je je voegt in de stroom van deze liefde, heeft dat alles te maken met het kennen van God. En daarom geldt het omgekeerde ook: Wie niet liefheeft, kan God niet kennen. Wie zijn broeder of zuster niet liefheeft, is niet in staat God lief hebben. De liefde van God is er dan nog wel, maar deze is gestuit. De stroom is onderbroken. Alsof er een dam in een stromende rivier is gelegd. De bron van liefde is op dat punt opgedroogd en dat is funest.
Veel mooier dan ik, zegt Sytze de Vries het in Tussentijds 48:
Liefde luidt de naam der namen
waarmee gij U kennen laat.
Liefde vraagt om ja en amen,
ziel en zinnen metterdaad.
Liefde waagt zichzelf te geven,
ademt op van goede trouw.
Liefde houdt ons in het leven, -
daarop hebt u ons gebouwd.
Liefde is daarmee allerminst een oppervlakkig thema. Het is ook niet een luchtig thema om straks onder mooi orgelspel nog eens bij weg te zwijmelen. Het is een thema waaraan nogal wat onaangename voetangels en klemmen zitten. Hier wordt een harde noot gekraakt! Zo liefhebben. Dat is niet zo eenvoudig. De lat ligt hoog. Het gebod om lief te hebben is een uiterst serieus gebod. Het is geen zoete lievigheid. Het wordt ons als levensdoel meegegeven.
Maar tegelijkertijd geldt het andere: deze liefde wordt ons opgedragen omdat deze liefde van God ons gegeven is. En daarom mogen we bedenken, dat dit gebod wel een gebod genoemd wordt, maar dat het nauwelijks als gebod weegt. Het gaat eigenlijk automatisch. Het vloeit voort uit het kennen van Gods liefde.
Amen.