Meditatief moment Meditatief moment


EEN MENS TE ZIJN OP AARDE…..

De titel van deze overdenking zal iedereen herkend hebben als de eerste regel van het gedicht van Willem Barnard, dat als Lied 538 in het Liedboek te vinden is. Een geliefd gezang in deze tijd van het kerkelijk jaar, veertig dagen vooraf aan Pasen, dat op indrukwekkend bijbelse manier uitdrukking geeft aan de meest fundamentele noties van het menselijk bestaan, de zin van het menselijke leven verwoordt in het licht van Jezus Christus, de ware mens naar Gods beeld en gelijkenis.

De zoektocht naar de grondnoties van het menszijn en de verwoording daarvan zijn zo oud als het menselijk leven zelf. Het is de vraag naar de humaniteit, die alle eeuwen door wordt geformuleerd op de wijze die past bij en in de tijd van het dan actuele moment. De twintigste eeuw, die als de eeuw gezien mag worden van zowel de grootst mogelijke vooruitgang van de mensheid als van de meest gruwelijke en bloedige bestialiteit, heeft bij dit zoeken een grootse getuige ervan opgeleverd: de Duitse schrijver Erich Maria Remarque.

Op zeldzaam integere en sobere wijze weerspiegelen zijn boeken de eigen existentiële ervaringen van deze grootheid van de hedendaagse Duitse literatuur. De toegankelijkheid van zijn stijl en de eenvoud die de diepste emoties weet te raken, maken het mogelijk voor de lezer om zelf mee-betrokken te zijn, zelfs zichzelf in de plaats te lezen van de in zijn romans spelende personen. Zo komt de vraag naar onze humaniteit op óns af en wordt deze ook en vooral tot ónze vraag.

Geboren op 22 juni 1898, als zoon in een boekbindersfamilie in de Rooms-Katholieke burgerklasse van de Westfaalse stad Osnabrück. Achttien jaar oud is hij als hij in 1916 als soldaat ingezet wordt in de loopgraven aan het Westelijk front. Na de oorlog zoekt hij zijn weg in de zo uiterst chaotische tijd van het naoorlogse Duitsland – de Republiek van Weimar – om als boekhouder, correspondent, handelaar, onderwijzer en redacteur van verschillende kranten in zijn levensonderhoud te voorzien.

In 1929 verschijnt zijn meteen meest bekende boek ‘Im Westen nichts Neues’, dat in vele talen vertaald en uitgebracht werd. De Nederlandse versie kreeg de titel “Van het Westelijk Front geen Nieuws”. Binnen 18 maanden werden drieënhalf miljoen exemplaren van dit boek verkocht en reeds in 1930 werd het verfilmd.

De beschreven gruwelen en zinloosheid van de Eerste Wereldoorlog aan de hand van het verhaal van het leven en sterven van de negentienjarige Paul Bäumer en zijn kameraden, werden onmiddellijk inzet van een bittere discussie: voor de een is het boek een indringend-eerlijke beschrijving van de waanzin van oorlogvoering, voor anderen een anti-oorlogsboek beledigend voor de voormalige frontsoldaten. Na de Nationaal-Socialistische machtsovername van 30 januari 1933 in het Duitsland-vol-frustraties werd het boek verboden en letterlijk op de brandstapels van de openlijke boekverbrandingen gegooid. Remarque werd het Duitse staatsburgerschap ontnomen en hoewel hij sinds 1931 al in Zwitserland woonde, emigreerde hij naar de Verenigde Staten van Amerika.

In deze periode schrijft hij de beide vervolgromans ‘De Weg terug’ en ‘Drie Kameraden’ over hoe het restant van de naoorlogse jeugd zoekt te leven in de chaos en de frustraties van de jaren direct na de Eerste Wereldoorlog. In dit licht speelt ook de roman ‘De Zwarte Obelisk’. Welke zin, welke mogelijkheid van leven, welke toekomst is gegeven in een zo ontluisterde tijd? Het is deze vraag die volgehouden wordt in de romans die gaan over de mensenlevens-in-ballingschap: vreemdelingen/vluchtelingen-zonder-bestaan… of juist mét? ‘Arc de Triomphe’, ‘Die nacht in Lissabon’, titels waarin de onbehuisdheid van de waanzinnige aanloopjaren naar de Twéede Wereldoorlog geschilderd wordt. Een oorlog die eenvoudig-zuiver zonder opsmuk diep getypeerd wordt in de romans ‘De boog der sterken’ over de concentratiekampen en ‘Een tijd van leven, een tijd van sterven’ over het Oostelijk front.

In 1948 keert Remarque terug naar Zwitserland, waar hij op 72-jarige leeftijd zal overlijden. Tot aan zijn dood in 1970 zal geen van de dan beide Duitslanden hem uitnodigen te remigreren uit zijn ballingschap. Zijn zoektocht, zijn antwoord, zijn vindplaats van de humaniteit?: de lezer van dit meditatief zij genodigd om zelf de werken van deze schrijver ook zélf ter hand te nemen – het beste in de hier genoemde en chronologische volgorde (de Nederlandse vertalingen staan vermeld) - en zich eigen te maken. Om in deze veertig dagen (en daarna) misschien in verwarring gebracht door het peilen tot op de bodem, maar kristalzuiver te proeven wat het is ‘een mens te zijn op aarde…..’. Met een nieuwe oorlog in Europa weer erg actueel….

Een mens te zijn op aarde
in deze wereldtijd,
dat is de Geest aanvaarden
die naar het leven leidt;
de mensen niet verlaten,
Gods woord zijn toegedaan,
dat is op deze aarde
de duivel wederstaan.

Ds. Nico Paap
terug